Column

Ooit, heel lang geleden, kwam ik vanuit het zuiden van het land naar Amsterdam. Mijn lief was er gaan wonen en werken en ik besloot er te gaan studeren. Als echt buitenmeisje, en diep van binnen eigenlijk een boerin, had ik het bij tijd en wijle wel moeilijk met de hectiek van de grote stad en miste ik de grootsheid van de natuur, hoeveel ik ook van Amsterdam hield. Jaren later vertelde een vriendin me over haar werk als tuinvrouw op een begraafplaats en dat gaf een licht gevoel van jaloezie in de onderbuik. Dit werk zou de haat/liefde verhouding,die ik had met het leven in de stad kunnen veranderen in een volmondige liefde (of harmonieus leven).
Nog later was het lot mij gunstig gestemd; het werk op de begraafplaats groeide mijn vriendin boven het hoofd en ze vroeg om mijn hulp. Ze nodigde me uit om thee te komen drinken op de tuin. Ik werd gegrepen door de mysterieuze schoonheid van Huis te Vraag. Wat een eer zou het zijn als ik hier zou mogen werken. Het duurde nog een paar weken voor ik de creator van deze bijzondere plek zou treffen. Dat was een bijzondere ontmoeting. We herkenden bij elkaar dezelfde liefde voor de schoonheid van de natuur. En zo werd Leon van der Heijden mijn leermeester en mocht ik uiteindelijk het levenswerk van Leon en zijn muze Willemijn van der Helm samen met Gitte voortzetten. Leon leerde mij de geheimen van het onderhoud.
Nu  weer jaren later voel ik mij nog steeds een gezegend mens en verbaas ik me nog steeds regelmatig over hoe het lot mij naar Huis te Vraag bracht. Mijn vriendin Gitte en ik doen het praktische werk in de tuin maar gelukkig zijn Leon en Willemijn er nog steeds om deze prachtige plek te bezielen en de stemming te bewaren. In deze column wil ik de bezoeker van Huis te Vraag zo nu en dan vertellen over de schoonheid van deze bijzondere plek in Amsterdam.

 Katja Kandelaars