Alle berichten van gabriel

Hoe zijn we hier nou eigenlijk aangekomen

BoekLeon-Site

Huis te Vraag

Een boek dat gaat over het aankomen, het leven, wonen en werken op een begraafplaats met de raadselachtige naam ’t Huis te Vraag – wat plek om te vragen betekent – wordt als vanzelf een levensbeschouwelijk boek.

Dat is de macht van de locatie.

Dit is het verhaal van een man en een vrouw.
Na een lange weg met zijwegen en wegen zonder end komen zij aan bij een vergeten begraafplaats aan de Amsterdamse stadsrand, die klaarligt om op de schop genomen te worden. Zij zijn dan al een eindweegs in de tweede levenshelft. Precies hier vinden zij iets waar zij zich met hart en ziel aan kunnen wijden. ‘En dat is’, volgens de auteur het geheim van het geluk. ‘Van het tamelijk geluk’, zegt hij, ‘want ook hier is er altijd wat.’ Niet tegenstaande dat er altijd wat is, zullen zij in de loop van 25 jaar dit gemaltraiteerde landje transformeren tot een bijzondere tuin die op sommige dagen het paradijs nabij komt. De sloop gaat niet door en in 2009 krijgt Huis te Vraag de status van Cultuurhistorisch Monument, wat toch niet onverdeeld de erkenning inhoudt van de maatschappelijke verdienste van deze twee mensen.
Het boek gaat in op alle relevante vragen met betrekking tot de begraafplaats en het begraven zoals de herkomst en de betekenis van de merkwaardige naam, maar afgezien van deze en zulk soort informatie is het geen begraafplaatsenboek en ook geen tuinboek; ‘Hoe zijn wij hier nou eigenlijk aangekomen’, gaat over de geschiedenis van een man en een vrouw, die de moed hadden om op de begraafplaats, aan het einde van de lijn, een nieuw leven te beginnen.

Citaat boek pagina’s 131-132

Huis te Vraag is een grote Naam met een lange geschiedenis, maar als wij dat zo zeggen, dan bedoelen wij de geschiedenis van de plek als grondstuk. Voor sommige historici gaat het om het Huis – van 1618 tot 1890 – en voor anderen is het de geschiedenis van de Naam die veel ouder is en die nog steeds bestaat. Al voor 1400 en waarschijnlijk al zolang beide plaatsen bestaan, was er een weg van Haarlem naar Amsterdam. Het was een weg met zijwegen van de ene hoeve naar de andere en omdat het allemaal nog landschap was met veel water, riet, bossen en moerassen was de kans op verdwalen niet denkbeeldig. Op ongeveer deze plaats bereikte de weg de Schinkel, een veenstroom of overloop van de Nieuwe Meer naar het IJ. Het lag voor de hand dat hier zoiets als een veerhuis annex herberg zou ontstaan, een huisje met een bootje waar men wat te drinken kon krijgen en iets te eten. Amsterdam was nog ver weg. Ten einde klanten te werven, plaatste de herbergier een bord aan de weg met de tekst ‘te vraghe’, wat zoveel betekende als ‘hier kun je iets vragen’,wij zouden zeggen ‘inlichtingen’. Volgens het verhaal zou keizer Maximiliaan van Oostenrijk, toen nog Groothertog, in 1486 op bedevaart van Haarlem naar Amsterdam hier de weg hebben gevraagd. Vanaf die dag heette de herberg openlijk ‘te Vraghe’ met uithangbord en al. Dit verhaal deed meer dan 150 jaar de ronde, het werd telkens opnieuw en telkens anders verteld tot het omstreeks 1618 ter ore kwam van een Amsterdamse lakenfabrikant, die het zo’n aardig verhaal vond dat hij op het idee kwam hier op dezelfde plek aan de Schinkel een landhuis te bouwen in grote stijl.

Dit Huis noemde hij uiteraard ’t Huys te Vraag ofschoon de herberg, die nog steeds bestond, de reputatie had. (Vanaf 1700 schreef men Huis de Vraag, toenmalige reeds moderne spelling.) Het Huis groeide uit tot een nederzetting; er kwamen enkele boerderijen bij, een molen en een kleine scheepswerf. De Schinkel was al een druk bevaren waterweg en op de Nieuwe Meer werd aan visserij gedaan. Huis te Vraag werd een begrip en een referentiepunt voor de wijde omgeving, in handel en wandel en in het dagelijks gesprek. In koopakten van onroerend goed werd de ligging en begrenzing beschreven met betrekking tot Huis te Vraag. Het Huis kende een lange reeks van eigenaren, die allemaal iets te maken hadden met de lakenindustrie en de katoenververij. Maar toen ging alles verloren, zoals in de gevelsteen al was voorzien. Deze zichzelf beschrijvende wereld ging verloren, de lakenindustrie en de katoenververij en daarmee het Huis. Nadat duidelijk geworden was dat het Huis niet meer exploitabel was en het onderhoud te duur, besloot de laatste eigenaar, een zekere heer Poort de boel dan maar te sluiten en het Huis te slopen. De historische waarde van het landhuis was nooit een argument, historische waarde was toen überhaupt geen argument, er was immers nog geschiedenis genoeg. De sloop greep plaats in 1890. Dat was wel het einde van het Huis, maar niet van de plaats en ook niet van de Naam. De Naam was sterker dan het Huis en de geschiedenis ging door. Een jaar later kreeg Pieter Oosterhuis, de nieuwe eigenaar van het grondstuk, toestemming van het gemeentebestuur van Sloten om hier een begraafplaats te beginnen. In zijn verzoek aan de Gemeente sprak hij van een ‘bijzondere begraafplaats’ voor de Protestantse Gemeente Sloten en Omgeving. Hij liet zijn aanvraag vergezeld gaan van een uitvoerige beschrijving van hoe hij dacht de begraafplaats in te richten, met o.a. een aula en ontvangstruimte in klassieke stijl, een woning voor de beheerder en zelfs een opsomming van de bomen en struiken die hij dacht te planten.

Tot zover citaat

Het is een kleine bibliofiele uitgave van 50 genummerde en gesigneerde exemplaren van 346 pagina’s, rijk geïllustreerd met foto’s en schilderijen. Het boek kost 25 Euro exclusief porto, te bestellen bij Leonjozefvanderheijden@gmail.com verkrijgbaar hier aan huis bij de beheerder en bij boekhandel Minerva, Koninginneweg 229 – Amsterdam 020 – 6620877.

Een aantal jaren geleden hebben wij de handgeschreven registers overgedragen aan het Gemeente Archief waar ze zouden worden gedigitaliseerd. Het opsporen van de graven behoort sindsdien niet meer tot onze taken, maar in de praktijk komt het toch nog dikwijls voor; de digitale werkelijkheid komt nl. niet altijd overeen met de feiten hier ter plekke. Er is tenslotte 125 jaar geschiedenis overheen gegaan met twee wereldoorlogen en een ontwrichtende griepepidemie in 1918, plus nog een ingrijpende kaalslag in de jaren 80 waarbij men een groot aantal zerken heeft stukgeslagen, omdat men dacht dat Huis te Vraag zou worden geruimd.
Echter, de stoffelijke resten van allen die hier zijn begraven, zijn onaangeroerd gebleven en rusten hier nog steeds binnen de omheining. Misschien is dat een troost om te weten. Er is geen onderhoud meer op het enkele graf, maar alle graven zijn opgenomen in een algemeen onderhoud van de begraafplaats als bijzondere tuin. Huis te Vraag is in feite één groot grafmonument van zichzelf. De bezuinigingen zijn niet onopgemerkt aan Huis te Vraag voorbij gegaan; twee van de vier betaalde medewerkers moesten ons verlaten en de twee anderen konden geen contractuitbreiding krijgen. De beheerder ging met tegenzin met pensioen en zijn vrouw werd de poortwachter. Het wordt dus allemaal een tandje minder, maar wij zullen ons best blijven doen de Stemming te bewaren.

Wij zijn geopend van dinsdag t/m vrijdag van 11 uur tot 17 uur en zaterdag, zondag en maandag gesloten.

Zon- en feestagen gesloten.

Het huis is privé en er is geen toilet- en horeca- accomodatie.

Het adres is Rijnsburgstraat 51 – 1059 AT Amsterdam

*

De Aanblik – foto stadsarchief 1987, het jaar dat wij hier met ons werk begonnen.

Het Weiland van het Uitzicht, gezien vanuit hetzelfde gezichtspunt in 2007 na 20 jaar arbeid.

Najaarswerk

Het seizoen neigt ten einde. Kalm windstil herfstweer, enigszins heiig, zondoorschenen mist zonder schaduwen.

Als je dit ziet, zou je voor je plezier doodgaan.

Anonymus

Ook anderen zijn gestorven, maar dat was in het verleden wat de beste tijd is voor de Dood.

Jorge Luis Borges

Het Weiland van het Uitzicht,  het Paradijs aan de Schinkel

Deze goed bewaarde gevelsteen uit 1618 (tegenwoordig ingemetseld in de noordelijke zijgevel van de aula ) is het het enige wat rest van het grote landhuis. Het is een vanitastafreel zoals die toen erg populair waren, bij de rijken meer dan bij de armen.
Niets is voor eeuwig zegt de steen, alles gaat voorbij, maar voorlopig genieten we er nog van.
Het is een voorstelling van Cupido, de Romeinse god van lief en leed, gezeten op de wereldbol met aan de ene kant een waterkruik die zijn levenbrengende water uitgiet over de aarde en aan de andere kant een vuurvat met het verzengende vuur. Intussen blaast hij zeepbellen, het symbool van alles wat oneindig teer en oneindig vergangelijk is.

Huis te Vraag in de oogsttijd

Deze foto is genomen vanuit hetzelfde standpunt als de foto van het Stadsarchief uit 1987 toen donkere wolken zich zich samenpakten boven Huis te Vraag.

Extra foto’s

De zon voorbij het graf

Het weiland van het Uitzicht